Nederlandse Stichting Helpen met Paarden – Equitherapie
 

Richtlijnen SHP-E(NL): Ethische Code

Richtlijnen SHP-E(NL):

Ethische code voor de Equitherapeut SHP-E(NL)

(februari 2007)

 

De ethische code van de internationale FATP

(Forum der Ausbildungsträger einer Therapie mit dem Pferd)

 

De FATP en SHP-E(NL) hebben samen een gemeenschappelijke internationale ethische code opgezet met als doel deze over te brengen op de studenten tijdens de opleiding tot Equitherapeut. Daarbij wordt Equitherapie gezien als ideaalbeeld vanuit een humanistische, totalitaire (ganzheitlicher Ansatz) aanzet, waarbij procesgeoriënteerd en methodisch gewerkt dient te worden.

 

De FATP heeft een aantal minimale normen opgesteld.

 

De leerlingen dienen daarbij:

 

  • een bereidheid te hebben om interdisciplinair samen te werken
  • gewillig te zijn de verantwoording over te nemen in het leer- en therapieproces
  • gevoeligheid te hebben voor de uiteenzetting van verschillende filosofische grondgedachten
  • bekend te raken met het procesgeoriënteerd en methodisch werken
  • te bemiddelen tussen het proces en de bijzondere aspecten van de driehoeksrelatie

Het grondberoep 

  1. De ethische normen van het grondberoep dienen tijdens het werken met het paard te worden overgedragen.
  2. De keuze uit methoden en doelstellingen dienen te voldoen aan het grondberoep en in verband te staan met een erkende ontwikkeling.

 

Het paard

 

  1. Dient in een zo natuurlijk mogelijke omgeving gehouden te worden.
  2. Dient een omvattende, gefundeerde, en doelgerichte opleiding en verdere scholing te hebben gehad.
  3. Dient een goed totaalbeeld te zijn van fysische en psychische gezondheid.
  4. Dient verantwoord te worden ingezet.
  5. Heeft als therapiepaard een dragende rol in de driehoeksverhouding. 

De cliënt

 

  1. Wordt alleen aangenomen wanneer hij/zij valt binnen het grondberoep van de Equitherapeut SHP-E(NL) en onder de  juiste randvoorwaarden.
  2. Heeft recht op een zo goed mogelijke ontwikkeling binnen zijn/haar eigen individuele mogelijkheden.
  3. Wordt geweigerd wanneer hij/zij een contra-indicatie voor Equitherapie heeft.

 

De opdrachtgever

 

  1. Krijgt een definitie van de mogelijkheden en grenzen binnen de therapie.
  2. Wordt voorzien van een zorgvuldige anamnese, doelstelling, en documentatie.  

De organisatie

 

  1. Men dient zich te identificeren met de doelen en normen van de organisatie.
  2. Verwacht een bereidheid voor de overdracht van hetgeen tijdens de opleiding geleerd werd en opname van eigen verantwoordelijkheid.
  3. Controleert het succes en de voortgang van de opleiding en opgeleiden door middel van een externe beroepskracht.

 

De stichting SHP-E(NL) heeft de code van de FATP zelf nog aangevuld met een eigen code en heeft deze code en richtlijnen ook gespecificeerd. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient zich te verbinden aan de ethische code van SHP-E(NL).

 

Eed voor de Equitherapeut SHP-E(NL):

 

“Ik beloof, 

te zullen handelen

met de grootsmogelijke zorgvuldigheid

en duidelijkheid tegenover

de cliënt, het paard en de Stichting.”

 

Hierna volgt het voorstel voor de complete ethische code SHP-E(NL) (met toelichtingen voor elk punt). Dit voorstel diende als basis voor het besluit van het bestuur en is begin 2007 in werking getreden.

 

Ethische Code en Kwaliteitsrichtlijnen SHP-E(NL)

 

De Equitherapeut SHP-E(NL)

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient in het bezit te zijn van een afgeronde en erkende opleiding in Equitherapie SHP-E(NL) of een (door SHP-E(NL) erkende) gelijkwaardige opleiding en een hippisch- en EHBO-diploma.

 

  1. De therapeut dient de kennis en de vaardigheden van zichzelf en het paard te onderhouden en zo mogelijk vergroten. Hij/zij is verantwoordelijk voor zijn eigen opleiding (bijscholing) en die van de therapiepaarden.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient ervoor te zorgen dat hij regelmatig supervisie en intervisie  heeft.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) moet zijn werknemers/stagiaires goed inlichten over zijn vakmethode en moet duidelijk zijn over zijn werkveld.

Het Paard

  1. De omgang met het paard heeft een persoonlijkheidsvormend/stimulerend effect. Dit dient te worden gerespecteerd en bevorderd.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) moet de verantwoordelijkheid nemen voor het hem toevertrouwde therapiepaard. Ook tot aan het eind van het leven van het paard.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) moet ieder paard gelijk respecteren, ongeacht zijn ras, leeftijd of geslacht.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) staat erop dat zijn cliënten het paard ook respectvol behandelen.

 

  1. De huisvesting en voeding van de paarden moet zijn aangepast aan zijn soortspecifieke behoeftes. (zie minimale normen) Als minimale eisen worden  gesteld: Dagelijkse vrije beweging in de groep bij een stallensituatie volgens minimaal FN normen.

 

  1. De psychische en fysieke gezondheid van het paard heeft, ongeacht zijn gebruik, hoogste prioriteit.

 

  1. Het gebruik van het paard in de therapie dient te zijn georiënteerd aan zijn aanleg, vermogen en werkwilligheid. Dit mag niet worden beïnvloed door medicatieve of paardonvriendelijke inwerking.

 

  1. Wanneer men niet met een eigen paard werkt dient men op de hoogte te zijn van de opleiding van het paard en een degelijke relatie met het paard te hebben opgebouwd.

 

  1. De scholing van het paard dient volgens de klassieke principes doorgevoerd te worden en aan te sluiten bij de natuur van het paard. Zij dienen psychisch en fysiek het paard in zijn natuurlijke aanleg te bevorderen en hem als partner in de bewegingsdialoog te accepteren. Paardenonvriendelijke methodes zijn niet toegestaan ( b.v. extreem bijtomen, hyperflexion of gebruik van methodes die het paard in een onnatuurlijke houding dwingen, pijn toevoegen, tot spanning leiden, het paard  uit  zijn balans brengen, zijn bewegingen verstoren en/of het paard onzeker maken.) 

 

De Cliënt

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de veiligheid voor paard en cliënt zoveel mogelijk te waarborgen.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) is verplicht om zich voor de cliënt te kunnen verantwoorden over zijn werkwijze en therapieplanning.

 

  1. Zowel cliënt als therapeut dienen zich aan het afgesproken therapiecontract te houden.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient een vertrouwensrelatie met de cliënt op te bouwen en de privacy van de cliënt te respecteren.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de geheimhoudingsplicht met betrekking tot vertrouwelijke gegevens van de cliënt in acht te nemen.

 

  1. De behandeling moet gebaseerd zijn op een uitdrukkelijke wens vanuit de persoon zelf, zijn familie (bij wilsonbekwaamheid van de cliënt) of dokter en in wederzijdse overeenstemming tussen cliënt en therapeut.

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) moet iedere cliënt gelijk respecteren, ongeacht zijn persoonlijkheid, aandoening of dergelijke.

 

  1. Het is de taak van de therapeut om de cliënt te behandelen, rekening houdend met de individuele situatie van de cliënt.  

De Stichting

 

  1. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de doelen en de missie van de stichting na te streven.

 

  1. De bij de stichting aangesloten Equitherapeuten SHP-E(NL) dienen de naam van de stichting niet te misbruiken en zijn verplicht om kwalitatief goed werk te verrichten.

 

  1. Binnen de stichting is het een plicht om kennis over te dragen aan collega’s en wordt een uitwisseling van ervaring hoog gehouden.

 

  1. Bij doorverwijzing dient  informatie doorgegeven te worden aan collega’s.

 

  1. Niet gecertificeerde werknemers kunnen/mogen niet het werk van een Equitherapeut SHP-E(NL) overnemen of in zijn naam vervullen.

 

Kwaliteitscontrole van de Equitherapeut zijdens SHP-E(NL)

 

  1. Binnen de opleiding tot Equitherapeut SHP-E(NL) wordt ernaar gestreefd de voor deze therapie met paarden van toepassing zijnde ethische principes aan de studenten door te geven.

 

  1. Binnen de kwaliteitsbewaking streeft SHP-E(NL) ernaar om de dragende rol van het paard binnen de driehoeksrelatie te waarborgen en eist SHP-E(NL) paardenvriendelijke (artgerechte) benadering wat betreft huisvesting, bejegening, training, voeding en dagbesteding.

 

  1. Eveneens zijn de verplichtingen tegenover de cliënt en de Stichting gedefinieerd.

 

  1. Bijscholing en op peil houden en vergroten van kennis en vaardigheden zijn onderdeel van deze code. 

 

  1. De richtlijnen hiervoor worden door SHP-E(NL) binnen de opleiding en binnen de registratie en certificering aan de equitherapeut SHP-E(NL) doorgegeven en het nakomen van deze richtlijnen wordt geëist.

 

  1. Is een equitherapeut SHP-E(NL) niet bereid deze richtlijnen na te leven dan kan SHP-E(NL) niet achter de kwaliteitsstandaards van deze opgeleide Equitherapeut staan en zal registratie en certificering weigeren. Op de gepubliceerde lijst van gediplomeerde Equitherapeuten SHP-E(NL) wordt dan een desbetreffende opmerking geplaatst.

 

Toelichting Ethische Code en Kwaliteitsrichtlijnen SHP-E(NL)

 

Punt 1 – De Equitherapeut SHP-E(NL) dient in het bezit te zijn van een afgeronde en erkende opleiding in Equitherapie SHP-E(NL) en een hippisch- en EHBO/BHV diploma.

 

Een gediplomeerde Equitherapeut SHP-E(NL) heeft een 2-jarige beroepsaanvullende opleiding van totaal 300 opleidingsuren met een praktijkproject en een examen aan het eind van elk opleidingsjaar achter de rug. Tevens is hij in het bezit van en een hippisch- en EHBO/BHV diploma. Hiermee toont de Equitherapeut SHP-E(NL) aan garant te staan voor een goede kwaliteit en zijn eigen vakbekwaamheid.

 

Punt 2 – De therapeut dient de kennis en de vaardigheden van zichzelf en het paard te onderhouden en zo mogelijk vergroten. Hij/zij is verantwoordelijk voor zijn eigen opleiding (bijscholing) en die van de therapiepaarden.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) is verplicht om de kennis en vaardigheden van zichzelf en zijn paard te onderhouden en zo mogelijk te vergroten. Binnen SHP-E(NL) gelden voor registratie en certificering vaste regels voor minimale bijscholing, supervisie en intervisie ten opzichte van de deskundigheid, om zijn erkenning en stalplaquette te mogen houden.. De maatstaf voor een goede opleiding van het paard is de bereidheid en plezier die het paard tijdens zijn werk toont. De basis voor een goede werklust van het paard ligt in de waarborging van zijn individualiteit en in respectering van zijn bijzondere karakter. Zelfkritiek van de mens is een belangrijk onderdeel voor het verwerven van kennis en vaardigheden van Equitherapeut SHP-E(NL) en paard. Om effectief Equitherapie te kunnen bedrijven is het van groot belang om samen te kunnen werken met het paard. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient zich van de staat van de relatie met het paard bewust te zijn en deze zo nodig op te frissen en steeds eraan te blijven werken. Een goede relatie tussen Equitherapeut SHP-E(NL) en co-therapeut zorgt voor een harmonische omgang met elkaar, waardoor structuur, possibility sfeer en de voor het proces essentiële driehoeksrelatie gecreëerd worden als basis voor een succesvolle therapie.

 

Punt 3 – De Equitherapeut SHP-E(NL) dient ervoor te zorgen dat hij regelmatig supervisie, intervisie en zelfervaring  heeft.

 

Ook zelfervaring en intervisie zouden vanzelfsprekend moeten zijn om zich steeds verder te ontwikkelen Tevens is hij verantwoordelijk voor zijn eigen proces buiten de bijscholing. Het volgen van intervisie is aan te raden, zeker wanneer een Equitherapeut SHP-E(NL) met betrekking tot een cliënt met vraagtekens blijft zitten. Supervisie kan ook gebruikt worden om de eigen persoonlijke situatie onder de loep te nemen. Zelfervaring en intervisie zouden vanzelfsprekend moeten zijn om zich steeds verder te ontwikkelen. Binnen SHP-E(NL) gelden voor registratie en certificering vaste regels voor minimale bijscholing, supervisie en intervisie ten opzichte van de deskundigheid, om zijn erkenning en stalplaquette te mogen houden

 

Punt 4 – De Equitherapeut SHP-E(NL) moet zijn werknemers/stagiaires goed inlichten over zijn vakmethode en moet duidelijk zijn over zijn werkveld.

 

Niet gecertificeerde werknemers kunnen/mogen niet het werk van een Equitherapeut SHP-E(NL) overnemen of in zijn naam vervullen. Stagiaires en werknemers dienen daarom goed ingelicht te worden over werkzaamheden die zij wel en niet mogen verrichten. Hierbij dienen mogelijkheden en grenzen duidelijk aangegeven te worden. De eindverantwoording ligt bij de Equitherapeut SHP-E(NL).

 

Punt 5 – De omgang met het paard heeft een persoonlijkheidsvormend/stimulerend effect. Dit dient te worden gerespecteerd en bevorderd.

 

De  pedagogische/therapeutische betekenis van de omgang met het paard is zijn vermogen om invloed uit te oefenen op de opvoeding (o.a.  zelfkennis en zelfbeheersing) van mensen uit alle leeftijdsgroepen. Door zijn schoonheid, kracht, elegantie en esthetica in zijn verschijning, oefent een paard op veel mensen een grote aantrekkingskracht uit, waardoor de cliënt in het contact met het paard makkelijker zijn grenzen kan verleggen en de weg tot zichzelf kan vinden. Door zijn natuurlijke eigenschap als kuddedier beschikt het paard over uitzonderlijke sociale vaardigheden, ook naar de mens toe. Het paard accepteert iedereen zoals die is, het motiveert tot contact maar stelt ook duidelijke grenzen. Aangezien paarden alleen in staat zijn om analoog en direct te communiceren, begrijpen en zenden ze geen dubbele boodschappen. Mensen ervaren dat hun gedrag consequenties heeft, doordat het feedback van paarden altijd een directe reactie op het menselijke handelen is. In samenwerking met de Equitherapeut SHP-E(NL) leert de cliënt om het natuurlijke gedrag van het paard te respecteren en fouten allereerst bij zichzelf te zoeken. Hierdoor word hij gestimuleerd om verantwoordingsbewustzijn te ontwikkelen voor het paard en de medemens. Verder wordt de tolerantie tegenover anderen vergroot en wordt de maatschappelijke integratie vergemakkelijkt.

 

De driedimensionale beweging van het paard heeft in alle drie de gangen een specifieke werking op het menselijke lichaam en geest. De noodzaak, zich als ruiter of voltigeur op de beweging van paarden in te stellen, bevordert de motorische en emotionele aanpassingsbekwaamheid van mensen. De cliënt leert in de loop van de therapie de eigen lichamelijke mogelijkheden beter te herkennen, in te schatten en te vergroten.

 

Het therapeutische rijden berust doorgaans op de bewegingsbelevenis met het paard. Hiervoor is het noodzakelijk, dat de beweging van het paard zuiver, zonder pijn of spanning en zonder niet toegestane hulpmiddelen of technieken beleefd kan worden.  De Equitherapie kan als lichaamsgeoriënteerde behandelmethode voor de gehandicapte mensen niet alleen de warmte van de paardenlichamen, maar met name een bewegingsgevoel, dat zij in hun dagelijkse leven niet ervaren als aanvulling meebrengen. De psychisch zieke, die aan psychomotorisch therapeutisch rijden en voltigeren deelneemt, doorloopt een positieve verandering door de invloed van het paard, de overname van de verantwoording over een ander leven, en door de conflicten met eigen angsten en met het ontbrekende zelfvertrouwen. In de psychotherapie komt de vaardigheid van het paard als spiegel van de met hem coöpererende mens te dienen tot werking.

 

Het paard heeft dus een hele belangrijke dragende (in letterlijke als ook figuurlijke zin) rol in de therapie. Zijn opvoedende en stimulerende effect dient gerespecteerd en gewaardeerd te worden en op een systematische en doelmatige manier gebruikt te worden binnen de therapie.

 

Punt 6 – De Equitherapeut SHP-E(NL) moet  de verantwoordelijkheid nemen voor het aan hem  toevertrouwde therapiepaard. Ook tot aan het eind van het leven van het paard.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) dient zijn handelen altijd op het welzijn van het paard te richten en mag zich niet alleen laten leiden door commerciële belangen. Omdat de mens het slimmere ‘dier’ is, en de mens het paard uit zijn natuurlijke omgeving heeft gehaald, moet hij in deze onnatuurlijke omstandigheden ervoor zorgen dat een paard zoveel mogelijk zichzelf kan zijn. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de intrinsieke waarde van het paard te respecteren. Binnen zijn eigen mogelijkheden/middelen moet hij de beste beslissing voor het paard nemen.

 

Ook wanneer het paard niet meer kan werken heeft de mens nog steeds de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het paard, tot aan zijn dood. Dit betekent dat de eigenaar van een oud of ziek paard met een zakelijke inschatting van de situatie een beslissing moet nemen over (pijnlijke) therapie of verlossing uit zijn lijden.

 

Punt 7 – De Equitherapeut SHP-E(NL) staat erop dat zijn cliënten het therapiepaard respectvol behandelen.

 

Om een goede samenwerking en verstandshouding tussen cliënt en paard te waarborgen, dient de therapeut er op toe te zien dat de cliënt het paard met respect en eerbied behandeld. De cliënt mag het paard geen pijn doen, het dier laten schrikken, het dier verwaarlozen, van streek maken of enig letsel aanbrengen. Wanneer zowel cliënt als paard respectvol met elkaar omgaan, wordt er een goede sfeer gecreëerd waarin de therapeutische relatie tussen de cliënt en het paard optimaal kan groeien  en kan worden behouden, en het therapeutische proces een goede start kan maken en steeds weer positief kan verlopen gedurende de hele therapie.

 

Punt 8  – De Equitherapeut SHP-E(NL) moet ieder paard gelijk respecteren, ongeacht zijn ras, leeftijd of geslacht.

 

In principe dient de mens ieder paard gelijk te waarderen, zijn wezen te achten en te respecteren. Ieder paard heeft het recht op een goede verzorging en een paardenrechtvaardige houding, dit moet onvoorwaardelijk zijn, mag bijvoorbeeld niet afhangen van ras, leeftijd, geslacht, prestatie of uiterlijk. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient het paard niet te vermenselijken. Dit houdt in dat hij alle reacties van het paard volgens de natuur van het paard bekijkt, interpreteert en er ook zodanig op in zal gaan.

 

Punt 9 – De huisvesting en voeding van de paarden moet zijn aangepast aan zijn soortspecifieke behoeftes.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) moet zijn kennis over het paard gebruiken om de natuurlijke situatie van het in het wild levende paard zoveel mogelijk na te leven. Want ook al zijn de huidige paarden gedomesticeerd, ze hebben nog steeds instincten van hun voorouders. Het doel is te streven naar een symbiotische paardenhouderij (zie Boon Thiel 1995). Dit houdt in dat de mens en het paard in gelijke mate van elkaar profiteren, door aan de behoeftes van de ander te voldoen.

 

Boven alles is het van belang dat de behoeftes van het paard aan beweging, lucht, licht en contacten met soortgenoten vervult worden. Dit houdt in dat de stallen die geen uitloop hebben minimaal (2xschofthoogte)² per paard groot dienen te zijn. Verder dient voor een goed stalklimaat te worden gezorgd, met voldoende licht en goede ventilatie, maar geen tocht. Voor het stalklimaat is het ook van belang dat er dagelijks wordt uitgemest. Een paddock aan de stal is wenselijk. Wat betreft de sociale contacten en de beweging is het van belang dat er andere paarden in het gezichtveld staan, waarbij ruikcontact of aanrakingsmogelijkheid wenselijk is en dat er gezorgd wordt voor uitgebreide weidegang samen met andere paarden. Qua voedsel moet erop gelet worden dat het paard de mogelijkheid heeft om frequent kleine hoeveelheden vezelrijk voedsel op te nemen. Dit in verband met de bouw en werking van het spijsverteringsstelsel, dit is namelijk niet gebouwd op het verwerken van grote hoeveelheden voedsel tegelijk of uitsluitend geconcentreerd voedsel. De soort en hoeveelheid voedsel dient te zijn afgestemd op het individuele dier, de huisvesting en de belasting.

 

Wanneer de paarden in een groep gehuisvest worden zonder permanente toegang tot een paddock dient er 12m2 per paard  beschikbaar te zijn. wanneer het om een groepsstal gaat dient er 8.4m2 per paard beschikbaar te zijn.

 

Als aan deze eisen niet voldaan is, is er een kans op het ontstaan van stress, wat stereotiep gedrag tot gevolg kan hebben. Het succes van de therapie is mede afhankelijk van de mogelijkheden van het paard om gewoon paard te zijn (zie hierover ook punt 8). Bijvoorbeeld hebben stands met weinig of geen weidegang een grote negatieve impact op het paard en dienen dus vermeden worden.

 

Punt 10 – De psychische en fysieke gezondheid van het paard heeft, ongeacht zijn gebruik, hoogste prioriteit.

 

Het welzijn van het paard dient te worden gewaarborgd en er moet psychohygiëne worden nagestreefd. Het paard moet psychisch en fysiek in staat zijn om in de therapie te werken. Alleen een gezond paard kan iemand anders helpen om gezond te worden en alleen een paard dat met plezier, zonder stress of pijn werkt kan de energie opbrengen om co- therapeut binnen de driehoeksrelatie te zijn..

 

Een dag van een paard zou moeten bestaan uit een afwisseling van beweging, ontspanning, rust, eten, sociale contacten en lichaamsverzorging. Toch moet er hierbij sprake zijn van enige regelmaat, bijvoorbeeld vaste voedingstijden.

 

Wanneer de goede randvoorwaarden voor een gezonde ontwikkeling niet aanwezig zijn (beweging, licht, lucht, contact soortgenoten en menselijke verzorging) kunnen er lichamelijke of psychische problemen ontstaan. Het gevolg hiervan is dat het paard zijn werk niet meer kan uitvoeren. Het is echter niet zo dat de oorzaak van ieder probleem direct de mens te verwijten is. Ook bij ziektes, bijvoorbeeld kreupelheid of koliek, die bij ieder paard kunnen ontstaan, moet de Equitherapeut SHP-E(NL) de juiste beslissing nemen voor de gezondheid van het paard.

 

De therapeut moet de lichaamstaal van zijn paard goed kunnen lezen om te kunnen waarborgen dat hij met plezier blijft werken. Het werk als co-therapeut is inspannend en vergt veel concentratie. Daarom moet ervoor gezorgd worden dat het paard de kans krijgt om hiervan te herstellen, zodat zijn psychische en fysieke gezondheid behouden blijft. Soms zijn hiervoor langere rustpauzes nodig. Het doel is te voorkomen dat het zover komt dat de verkeerde inzet van het paard leidt tot verslijting psychische stress en/of een vroegtijdige onbruikbaarheid.

 

Punt 11 – Het gebruik van het paard in de therapie dient te zijn georiënteerd aan zijn aanleg, vermogen en werkwilligheid. Dit mag niet worden beïnvloed door medicatieve of paardonvriendelijke inwerking.

 

Niet elk paard is geschikt om een therapiepaard te zijn. Het gebruik van het paard moet afgestemd zijn op zijn mogelijkheden, er mogen dus geen prestaties van het paard verlangd worden die hij eigenlijk niet kan opbrengen. De sociale aard van het paard heeft tot gevolg dat het paard altijd mee wil werken en probeert zijn best te doen in wat voor situatie dan ook. Deze onderdanige houding van het paard brengt het gevaar met zich mee dat de mens soms niet doorheeft wanneer het paard wordt overvraagd. Zoals al gezegd speelt het lezen van de lichaamstaal van het paard een grote rol.

 

In geen geval mag het paard gemanipuleerd worden met behulp van geneesmiddelen of doping, om de prestaties van het therapiepaard te beïnvloeden. Ook niet toegestaan zijn trainingsmanieren of hulpmiddelen, waardoor het paard aan psychische stress wordt blootgesteld of niet in staat is om voldoende te zien of  zijn hals als, passend bij zijn beweging en taak, balanceerstang te gebruiken,. Extreme bijtoming  (“Beizäumung”) of: Een extreme manier van bijzetten) of werken volgens methodes, die tot spanning, pijn, hyperactiviteit, stress, een niet correct bewegingsverloop of tot een  beperking in het zicht of de ademhaling kunnen leiden zijn niet toegestaan. Dit is in strijd met de (Duitse en andere Europese) normen van de dierenbescherming en kan nooit in overeenstemming zijn met de ethische principes.

 

Bij de opvoeding en het training van het paard wordt volgens de klassieke richtlijnen gewerkt hetgeen inhoudt, dat van de natuurlijke aanleg van het paard wordt uitgegaan en deze systematisch en op een verantwoorde manier wordt bevorderd en verder ontwikkeld.

 

Punt 12 – Wanneer men niet met een eigen paard werkt dient men op de hoogte te zijn van de opleiding van het paard en een degelijke relatie met het paard te hebben opgebouwd.

 

Om kwaliteit te garanderen en het therapeutische proces zo goed mogelijk te laten verlopen, is het van belang voor de therapeut om op de hoogte te zijn van het opleidingsniveau en karakter van het paard waarmee hij werkt, zijn co-therapeut. Het is van belang dat de Equitherapeut SHP-E(NL) weet wat het paard wel en niet kan, wat het toelaat en waar zijn sterke punten maar ook zijn grenzen  liggen. Wat accepteert het paard wel en wat niet? Voor het welzijn van het paard is het van belang dat de therapeut hem kent omdat de therapeut moet kunnen inschatten wanneer het paard rust, bijscholing of afwisseling nodig heeft of wanneer er over zijn grenzen heen gegaan wordt.

 

Voor de cliënt is dit van belang omdat hij/zij het paard moet kunnen vertrouwen en er een goede possibilty-sfeer gecreëerd moet kunnen worden voor de cliënt om zo ervaringen op te doen. De cliënt moet ervan uit kunnen gaan, dat het paard met plezier zijn taak als therapiepaard vervult.

 

Punt 13 – De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de veiligheid voor paard en cliënt zoveel mogelijk te waarborgen.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) is verantwoordelijk voor de veiligheid van paard en cliënt. De Equitherapeut SHP-E(NL) moet op een manier werken waarbij het risico op letsel zo klein mogelijk is. Wel is het de bedoeling dat er een zogenaamde “possibility sfeer” wordt gecreëerd, waarbij een evenwicht moet ontstaan tussen uitdaging en veiligheid. Voor de cliënt is het van belang dat het paard goed opgeleid en opgevoed is. Daarnaast is het van belang dat de Equitherapeut SHP-E(NL) weet hoe hij dient te reageren in noodsituaties of bij ongevallen en moet er een degelijke bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering worden afgesloten.

 

Ook het materiaal waarmee gewerkt wordt moet goed onderhouden worden. De therapie dient gegeven te worden in een rustige omgeving, zonder al te veel van het proces afleidende of het proces verstorende  factoren. De situatie moet wel uitdagend blijven. Van geval tot geval beslist de therapeut hoe om te gaan met eventuele buitenfactoren. In gevallen van twijfel moet de therapeut op basis van zijn deskundigheid en ervaring beslissen.

 

Punt 14  – De Equitherapeut SHP-E(NL) is verplicht om zich voor de cliënt te kunnen verantwoorden over zijn werkwijze en therapieplanning.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) heeft een grote verantwoording tegenover de cliënt. Hij dient duidelijk aan zijn cliënt te vertellen wat zijn basisberoep is en wat zijn hippische en Equitherapeutische kwalificaties en randvoorwaarden voor de therapiesituatie  zijn. Verder moet hij aangeven op welke therapievormen en doelgroepen hij zich richt en welk concept hij toepast. Tijdens een intakegesprek met de cliënt, moeten de na te streven doelen besproken worden en dient aangegeven te worden hoe de Equitherapeut SHP-E(NL) deze denkt te kunnen bereiken met behulp van het therapiepaard. De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de cliënt of zijn vertegenwoordiger te informeren over indicaties en contra-indicaties van de therapie. Ten opzichte van de cliënt mag er dus niets worden gedaan wat de cliënt zou kunnen schaden op het gebied van zijn fysieke en psychische gezondheid. Daarom zijn onder andere goede afspraken rondom de onbedenkelijkheid van de medische toestand van de cliënt noodzakelijk.

 

De cliënt moet – gevraagd of ongevraagd – informatie  verkrijgen over doel, werkwijze en realistische verwachtingen wat betreft de therapie. Verder stelt de therapeut de cliënt op de hoogte van de algemene voorwaarden die hij aanhoudt bij het geven van Equitherapie. Dit houdt ook in dat hij informatie verstrekt over de kosten. De cliënt mag de therapie altijd stoppen, de therapeut moet de cliënt dan verwijzen. Over de financiële of organisatorische consequenties van eenzijdig afbreken van therapieën stelt de therapeut de cliënt via zijn algemene voorwaarden op de hoogte. De behandeling wordt afgesloten als het doel is bereikt.

 

 Het is belangrijk om de therapie niet vroegtijdig af te breken of onnodig te verlengen. Stopt de therapeut eerder, dan moet hij ook adviseren wat betreft verwijzing. Hierbij gaat  de relevante  informatie uit het dossier (en niet het dossier zelf) mee met de cliënt,  zodat alle relevante informatie doorgegeven wordt aan de volgende therapeut.

 

Met de cliënt mag geen private relatie worden aangegaan en er mogen geen cadeaus worden aangenomen gedurende de therapie, tot één jaar na de therapie.

 

Punt 15 – Zowel cliënt als therapeut dienen zich aan het afgesproken therapiecontract te houden.

 

In het therapiecontract worden afspraken opgenomen over de therapie, de tijden van de sessie, de kosten, het paard, de na te streven therapiedoelen en de randvoorwaarden. Voor een optimale en prettige samenwerking dienen zowel cliënt als therapeut zich aan dit contract te houden. Het contract wordt bezegeld met een handtekening van de betrokken partijen. Door afspraken vast te leggen in contractvorm kunnen misverstanden worden voorkomen. Bij beëindiging van de therapie wordt gestreefd naar een gezamenlijke evaluatie van het proces. In het geval van eenzijdige beëindiging van het contract door de therapeut of de cliënt, komen de algemene voorwaarden per Equitherapeut SHP-E(NL) in aanmerking.

 

Punt 16  – De Equitherapeut SHP-E(NL) dient een vertrouwensrelatie met de cliënt op te bouwen en de privacy van de cliënt te respecteren.

 

De Equitherapeut SHP-E(NL) moet een vertrouwensrelatie opbouwen met zijn cliënten. Zonder deze vertrouwensrelatie is een succesvolle therapie onwaarschijnlijk. De therapeut moet zorgvuldig omgaan met de macht die zijn positie hem over de cliënt geeft. Met de privé-sfeer en de integriteit van de cliënt moet zorgvuldig worden omgegaan, er heerst geheimhoudingsplicht. Als er toch informatie wordt verstrekt, dan alleen maar met schriftelijke toestemming en anonimiseren van de gegevens (ten behoeve van overleg, inter- of supervisie). Er moet een dossier bij worden gehouden waarin behandelplan en aantekeningen van de behandeling en een eindrapportage verzameld worden. Dit dossier moet gedurende enkele jaren worden bewaard, en de cliënt heeft recht op inzage. 

 

Punt 17 – De Equitherapeut SHP-E(NL) dient de geheimhoudingsplicht met betrekking tot vertrouwelijke gegevens van de cliënt in acht